Toelichting en verantwoording Quickscan en Dyslexiemonitor

Inleiding
Dit document heeft betrekking op de Quickscan en de Dyslexiemonitor ontwikkeld door het
Expertisecentrum Nederlands en het Masterplan Dyslexie. Deze instrumenten zijn herziene
versies van de Quickscan en Dyslexiemonitor ontwikkeld door Klein en Kleijnen (2006). De
instrumenten bestaan uit lijsten met stellingen die online, digitaal, worden beoordeeld. Bij het
formuleren van stellingen is uitgegaan van de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie. Met
behulp van de uitkomsten zijn scholen in staat te bepalen hoe het leesonderwijs en
dyslexiebeleid door de teamleden wordt beoordeeld en ervaren.

Hierna volgt een beschrijving van het gebruik van de instrumenten en een omschrijving van de
opzet, waarin aandacht aan de opbouw, structuur, en wijze van rapportage van het instrument
wordt besteed. Deze verantwoording levert samen met de handleiding en de monitor zelf alle
informatie op die nodig is voor een goede toepassing van de instrumenten.

Inzet Quickscan en Dyslexiemonitor

Doelgroep
De Quickscan en de Dyslexiemonitor bestaan uit verschillende onderzoeken (of vragenlijsten)
voor het primair en voortgezet onderwijs. De Quickscan geeft een snel, globaal overzicht en kan worden ingevuld door een teamlid dat een coördinerende rol heeft, zoals de IB’er, de
leesspecialist of de zorgcoördinator. Om een gedetailleerder beeld te krijgen van de stand van
zaken op het gebied van leesonderwijs en begeleiding kunnen leerkrachten of docenten worden uitgenodigd om stellingen te beoordelen die voor zijn/haar groep van toepassing zijn. De uitkomsten kunnen als uitgangspunt dienen voor een teambijeenkomst waarin het beleid onder de loep wordt genomen. Daarmee bieden de uitkomsten aanknopingspunten voor eventuele verandering en vernieuwing van het beleid op school.

Gebruiksdoel en meetpretentie
De Quickscan en Monitor beogen in kaart te brengen hoe de betrokken teamleden het huidige
leesonderwijs en de begeleiding beoordelen en ervaren. Het gaat daarbij om het beoordelen van het eigen handelen, maar ook om de geboden voorzieningen en gemaakte afspraken op
schoolniveau. Bij het interpreteren van de uitkomsten is het van belang te realiseren dat het om een (zelf)oordeel gaat en niet automatisch om een feitelijke weergave van de stand van zaken. De uitkomsten kunnen de basis zijn voor een overleg of discussie binnen het team waarbij wordt nagegaan op welke punten teamleden kansen en wensen voor verandering in het beleid zien. Ook kan het zijn dat de oordelen van de teamleden ver uit elkaar liggen wat een aanleiding voor discussie kan zijn.

Beschrijving opzet Quickscan en Dyslexiemonitor

Opbouw en structuur
De Quickscan en de Dyslexiemonitor bestaan uit verschillende lijsten met stellingen. Een eerste onderscheid wordt gemaakt naar schooltype: primair onderwijs of voortgezet onderwijs. De Quickscan geeft een snel, globaal overzicht en kan worden ingevuld door een teamlid dat een coördinerende rol heeft, zoals de IB’er, de leesspecialist of de zorgcoördinator. Leerkrachten of docenten beoordelen vervolgens op uitnodiging van de coördinator stellingen op een lijst die is toegespitst op groep of bouw.

Zorgniveaus
Bij de opzet van de lijsten is uitgegaan van de zorgniveaus zoals ook in de Protocollen
Leesproblemen en Dyslexie is beschreven. Per zorgniveau zijn stellingen geformuleerd die
verder onder te verdelen zijn naar naar subcategorieën. Aan de zorgniveaus zijn een aantal
extra categorieën toegevoegd. We verwijzen naar de te downloaden vragenlijsten voor een
verdeling van vragen per niveau en subcategorie voor een precieze inhoudelijke omschrijving.

Zorgniveau 1: goed lees- en spellingonderwijs

  • Leestijd
  • Kwaliteit instructiegedrag
  • Klassenmanagement
  • Juist en effectief gebruik van methodes
  • Toetsen en monitoren

Zorgniveau 2: extra begeleiding en instructie (zwakste 25%)

  • Differentiatie en aanpak binnen de klas
  • Vaststellen van potentiële uitvallers

Zorgniveau 3: zeer intensieve begeleiding (zwakste 10%)

Zorgniveau 4: Diagnostiek en behandeling in zorginstituut

  • Vaststellen van dyslexie (psychodiagnostisch onderzoek)
  • Afstemming onderwijs-zorg

Coaching van leerlingen met lees- en spellingproblemen of dyslexie

Kwaliteitsbeleid met betrekking tot leesproblemen en dyslexie Professionalisering en ontwikkeling

 


Antwoordmogelijkheden bij stellingen

Van elke stelling op de lijst moet worden aangevinkt of deze uitspraak op een schaal van
helemaal niet tot helemaal wel van toepassing is.

Rapportage
De antwoorden op de diverse vragenlijsten worden automatisch en digitaal verwerkt. Direct
na invullen van de vragenlijst kan de betrokken leerkracht/docent de ingevulde vragenlijst
opslaan/printen. De resultaten van de verschillende teamleden worden vervolgens
samengevoegd voor een totaalbeeld. De resultaten worden in staafdiagrammen weergegeven. Het percentage aan de verticale y-as geeft het aantal behaalde ‘punten’ t.o.v. van het maximum weer. Bij een score van 100% betekent dit dat alle stellingen binnen een zorgniveau of subcategorie met maximale score zijn beoordeeld (helemaal van toepassing). De resultaten worden op een aantal manieren weergegeven:

1. Resultaten geaggregeerd op zorgniveau: voor de verschillende zorgniveaus en de extra
categorieën wordt het percentage weergegeven.
2. Resultaten op subcategorieën per zorgniveau: de zorgniveaus omvatten een aantal
subcategorieën die worden weergegeven.

Verantwoording van de stellingen
Bij de formulering van stellingen zijn de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie als
uitgangspunt genomen. Er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de betrouwbaarheid en validiteit van de stellingen. Dat wil zeggen dat er geen uitspraak kan worden gedaan in
hoeverre de stellingen onderling samenhangen binnen een zorgniveau of subcategorie en of
de lijsten ook daadwerkelijk ‘meten’ wat ze beogen in kaart te brengen. Belangrijk om daarbij
op de merken is dat er geen controle plaatsvindt voor sociaalwenselijke antwoorden. Bij de
interpretatie en bespreking van de uitkomsten moet hiermee rekening worden gehouden. De
lijsten kunnen het best als zelfevaluatie of reflectiemiddel worden beschouwd.